ontwerper | fotograaf | schrijver | lezingen | docent | actueel | realisaties | persoonlijk | contact
  Herman van Veen en Charles Aznavour in Parijs

Tovenaars met de tijd

Wat als twee grootheden van het theater tegelijkertijd in Parijs optreden? Juist. Het hotel was gauw geregeld. Het was niet alleen vanwege Parijs, het was ook september, een uitgelezen maand voor het chanson. Een maand als een keerpunt, een draaiing in het jaar. Wanneer de hoogzomer definitief voorbij is en de vrijblijvendheid van de vakantie niet bestand blijkt tegen de voortgang van de tijd. Maar toch, er is niet al echt iets veranderd, het voelt alleen zo anders aan. De winter ligt nog ver in het verschiet en de herfst moet nog komen. En is het niet precies dat wat een goed chanson ook vermag te doen? Spelen met de tijd, de veranderingen in het tijdsverloop bezingen? De onafwendbaarheid, het voorbijgaan der dingen. Spreekt elk chanson niet daarover? Had ik toch…was zij maar… wij zouden… Onvoltooid maar toch voorbij.
Iedere gedichte frase of elk gezongen woord lijkt hier in Parijs voleindig te worden, waardoor elk bijhorend gevoel iets zwaar en definitief lijkt te krijgen. Maar dat is slechts de mensenwereld want de stad zelf schijnt er niet om te malen. Die is onverschillig tegenover menselijke gevoelens, onze zorg en pijn, onze verwachtingen die niet uitkwamen of dromen die we onderweg verloren.
Parijs ligt in de laatste zon van de dag te spinnen, bevolkt met duizenden toeristen, die als efemere miniatuurtjes in hun eigen gekrioel lijken te verdwalen.
Twee avonden, twee zangers. De ene staat zes weken in het wereldberoemde Théâtre de l’Olympia, als bekroning van zijn carrière, de ander speelt vijf avonden in het Espace Cardin, gelegen in het park Champs Elysée, waar Marcel Proust als jongetje kwam spelen. De ene is een meester van het lied, de ander van het chanson. Het zijn reuzen op hun gebied, krachtige artiesten die op poëtische wijze de nietigheid van het leven kunnen beschrijven.
Charles Aznavour, doet dat vanuit een verongelijktheid, vanuit het niet kunnen aanvaarden, nog steeds niet, na al die jaren, dat de dingen lopen zoals ze lopen en wij er niets aan kunnen veranderen. Herman van Veen vanuit een meer barmhartige levenshouding, niet als een protest maar als een manier om er van te leren. Zachter, omdat we als mens nog verder moeten. Aznavour lijkt soms wel boos te zijn, hij spit de woorden uit, kort, krachtig. Boos om wat voorbij is, om wat nooit meer terugkomt, omdat alles te snel ging. Wel twintig keer zingt hij ergens over ‘vingt ans’.
Van Veen altijd beschouwend, met iets meer afstand in zijn stem, maar daarom niet minder betrokken. Er is meer dat deze mannen bindt dan laat verschillen. Hun leeftijd bijvoorbeeld. Beiden zijn al ouder, maar toch met een wereld van verschil. Aznavour is 87 en Van Veen is 66. Dat is 22 jaar verschil, een tijd even lang als tussen de twee wereldoorlogen. Die oorlogen hebben trouwens hun sporen op de mannen nagelaten, veel teksten zijn er naar te herleiden, het lijkt hun onderliggend motief. De zinloosheid, de deportaties, de moorden, de afgebroken levens. Maar dat heeft ze niet cynisch of afstandelijk gemaakt, wel integendeel, getuige de titels van hun programma’s ‘En toute intimité’ en ‘Une infinie tendresse’. Geen verwijzing naar stoere mannentaal.
De zaallichten gaan uit, Parijs blijft buiten maar sluimert nog in de hoofden van de mensen in de zaal. De drukte van de straten, de verlichte etalages. Het publiek wacht op wat komen gaat. Even verwachtingsvol in beide zalen, maar met een verschil in de aard van toeschouwers. Bij Van Veen is het een ondefinieerbare groep. Er zijn mensen die hem kennen en over de vorige keer spreken, een groepje met Hollanders is afgereisd, een Frans publiek dat verwachtingsvol plaatsneemt. Men weet niet goed wat er komen gaat.
Bij Aznavour zijn het allemaal paren, huwelijken, man-vrouw relaties. Ze kennen hem al lang en komen om dat te zien wat ze verwachten. Pensioenleeftijd, maar daartussen toch ook een jonger verliefd stelletje. De vrouwen zijn gecoiffeerd, de mannen steken in het pak, maar dragen grijze sokken in onelegante schoenen. Het zijn burgers, arbeiders, buitenlui. Ze zijn naar het centrum van Parijs gekomen waar ze verder niets te zoeken hebben. Ze komen voor deze avond.
Precies dat is wat al deze mensen met elkaar verbindt en wat ik bij mezelf ook herken. Aznavour is iets uit hun leven, een stem die ze altijd hebben gehoord, van jongs af aan. Hun moeders luisterden al naar die hese stem op de radio en naargelang het leven verder ging kwamen er chansons van hem bij. Die liedjes zijn te koppelen aan een jaartal, een leeftijd, waar men was, wat men deed. Aznavour was er altijd, als een vast onderdeel van dat leven en nu, bij wat waarschijnlijk zijn afscheid is, komen de mensen om aan de hand van die liedjes en teksten naar dat leven terug te kijken, ze komen eigenlijk om naar zichzelf te zien.
Stil, het licht is uit, het gaat beginnen. Alweer een vergelijking. Bij beiden is de opening van het voordoek een duidelijk punt waarop de voorstelling begint (de avond is immers al lang begonnen met het binnen komen, onzeker in dat beroemde theater, plaats opzoeken, gespannen wachten, rondkijken, het is nog veel te vroeg, toch maar het programmaboek kopen, weer rondkijken, nog gespannener wachten). Het doek zwaait open, en zie, er zit een orkest van wel twaalf mensen en Aznavour komt opgelopen, van rechts achterin: de entree van de clowns, van de tegendraadsen. Applaus klinkt op, mensen stoten elkaar aan, daar is hij dan, in het echt toch kleiner dan gedacht. Hij loopt dwars over het toneel naar het publiek toe, met gespreide open armen. Als een omhelzing. Ik hou van jullie, ik weet dat jullie van mij houden. Hij groeit. Zijn gitzwarte oogjes glimmen en priemen recht in de harten van de mensen. Hij buigt en dankt voor het welkomstapplaus. Zwart pak, zwart hemd, brede bretels, glimmende schoenen. Hij groeit nog meer. Het licht, het geluid, al die televisiecamera’s in de zaal, de muziek die opklinkt, het is begonnen. De avond waarop allen zo lang hebben gewacht. De kaartjes lagen thuis in de la, het spoorboekje was bestudeerd, het pak terug van de stomerij. Die stem, ja, dat is de echte Aznavour. Ietwat krakend maar niet gebroken. Iets langzamer dan de muziek, maar dan weer vif. Het wordt een avond voor het publiek, hier gelden de wetten van het variété. Dit is thuiskomen.
Bij Herman van Veen gaat het doek ook open, om ons een doorkijkje te geven op een andere wereld. Spanning. Het licht brandt er al, er staat een man, die zich naar het publiek omdraait en groet. Als stond hij op ons te wachten. Hij kijkt ons aan, wij die in het donker zitten, als toetst hij of we wel een publiek zijn dat met hem mee wil, bereid is om met hem die onbekende reis te aanvaarden en dan verwelkomt hij ons in zijn universum. Hij buigt, sereen, maar nog steeds lijkt alles te kunnen gebeuren. Hij kan een verteller zijn, een clown, een troubadour. Hij kan een lied van Schubert aanvangen of van Yves Montand. Wie is die man en wat zal hij doen? De Fransen weten het nog niet. Dan zingt hij, een kinderliedje, in het Nederlands. Als wil hij een visitekaartje geven over wie hij is, hoe het allemaal begonnen is. Men schrikt, wat doet hij, wat wil hij, we verstaan hem niet. Dan pas gaat hij over in het Frans. Een poëet, een dichter, met de onschuld in zijn kijk op de wereld. Die wondermooie stem zal ons die avond meenemen, overal naar toe, waar hij ook maar wil, we geven ons aan hem over. Hij zal vertellen, verhalen, bezingen. Hij zal fluisteren en zijn mimiek tot de kleinste millimeter terugbrengen, miniem, intiem. Dan weer zal hij met grote openzwaaiende armen een levensgevoel theatraal bezingen, zoals alleen een klassiek geschoolde zanger dat kan, een man van het theater. Zijn voorstelling is een doorlopend verhaal, waarin hij zelf van de ene verwondering in de andere rolt om die vervolgens dan weer zelf te becommentariëren. Hij zingt en speelt, hij is een pantomimist en een poesjenel, dan weer een commedia dell arte acteur en dan weer in ernst Herman van Veen. Merendeels alleen, of bijgestaan door Edith Leerkes op de akoestische gitaar.
Aznavour is nooit alleen. Hij heeft in de eerste plaats zijn publiek, dat hij af en toe direct aanspreekt, met verwijzingen naar vroeger (‘Ik heb nooit tegen u gelogen’, was wel zijn sterkste). Het orkest speelt het spel mee, zij vullen de gaatjes die hij fysiek niet meer kan invullen. De violen strijken om zijn timbre te verzachten, de ritmesectie vibreert om de dynamiek in de voorstelling te verhogen. De percussionist is een grappenmaker, de pianist komt van het Conservatoire, de dame achter de keyboards is een vedette. Iedereen heeft een rol, als in een geoliede machine, tot zelfs een van de twee zangeresjes die uit het achtergrondkoortje naar voren stapt om een liedje met hem te zingen. Zij blijkt Katja Aznavour te zijn, zijn dochter. Ze doet braaf wat ze moet doen en stapt weer terug naar de achtergrond. The show must go on. Dat moest Herman van Veen eens gebeuren, …dat hij zijn dochter op het toneel tegenkwam… Hij zou voor haar speciaal een lied zingen, wat, hij zou er het onderwerp van een hele voorstelling van maken. Bij Aznavour is alles en iedereen ondergeschikt aan het ene.
Dat is weer een verschil tussen beiden. Aznavour heeft alles meegebracht wat hij heeft, orkest, licht, geluid, mise-en-scène, muziek, herkenning, tophits, verwijzingen naar vroeger. Het is er allemaal. Van Veen heeft alles thuisgelaten. Alles wat hem zou kunnen helpen of ondersteunen, wat het hem makkelijk zou maken om deze avond te doen slagen, de techniek, de licht- en geluidseffecten, de muzikanten,… er is niet van te zien. Hij doet het helemaal alleen.
Bij Aznavour is er geen verhaal want hij gaat van lied naar lied, met het applaus van de zaal als het ware daartussen gemonteerd, waardoor hij met hink-stap-sprongen door de tijd gaat. Maar bij beide heren staat het inhoudelijke deel van het concert centraal. Elke tekst, elke zin, elk woord wordt gedragen, geproefd en als boetseermateriaal gebruikt om de sfeer te vervolmaken. Aznavour is daar een ware kunstenaar in, een taalvirtuoos. In het prachtig door hem zelf gecomponeerde en overbekende La Bohème, zingt hij de volgende openingszin:
Je vous parle d' un temps/
Que les moins de vingt ans/
Ne peuvent pas connaître/

Wat een opening. Hij begint met over zichzelf te zingen, want de verteller is de ik-figuur. Wij herkennen de jonge Aznavour. Hij legt uit dat hij ons gaat verhalen over een welbepaalde tijd. Daarmee blijft hij in de grote traditie dat ieder verhaal dient te beginnen met een tijdsaanduiding, net zoals in de sprookjes (Er was eens…) en in de bijbelverhalen (Het was in die dagen…). Maar voegt hij er meteen aan toe, niet iedereen kan die tijd waar ik over ga spreken kennen. Het is dus niet zomaar een algemeen vroeger, neen, het is een welbepaalde tijd, die voorbij is, dramatisch en onvergankelijk. Hij praat dus niet over een anekdote, over zijn eigen kleine gevoelens, neen, hij maakt de tijd tot onderwerp van het lied, met daarin zichzelf als lijdend voorwerp: hij plaatst zichzelf in een perspectief. Naar welke Aznavour luisteren wij dan? Dat is een intrigerend spel, met slechts die paar woorden
Herman Van Veen tovert ook diverse keren met de taal en de tijd, maar vooral met de verwachtingen van de toeschouwer die hij manipuleert, omdraait, transformeert, dan weer tevoorschijn tovert, als met de act van het pingpongballetje (het worden er tienduizend) en op het einde van zijn voorstelling vraagt hij aandacht voor een liedje op de tekst van een 18-jarig joods meisje dat de vernietigingskampen niet overleefde. De gehele voorstelling wordt een piëdestal , een sokkel, waar hij op gaat staan om nog hoger te geraken, daar boven waar de gevoelens zitten waar men bijna niet bij kan. Hij gebruikt het resultaat van de avond om uiteindelijk iets zo raaks en puurs uit te drukken, door haar woorden te zingen en zo (de gedachte aan) haar te laten voortbestaan. Alles gaat verder, de tijd wordt overwonnen. Zoals hij vroeger, duizenden keren, zijn voorstelling altijd beëindigde met het chanson Liefde van later van Jacques Brel. Is het een tekst van iemand die terugkijkt op een liefdesrelatie die de tijd lijkt te hebben overwonnen? Terugkijkt als een oudere? Vanuit de dood? Wel neen, het is de wens van iemand die nog jong is maar er naar verlangt later zo wijs te zullen zijn dat deze woorden bij hem passen. De voltooid toekomende tijd.
Van Veen geeft het leven voort, Aznavour laat de mensen leven door ze voorzichtig, herkenbaar en vol warmte te laten meezingen ‘Emmenez-moi au bout de la terre / Emmenez-moi au pays des merveilles / Il me semble que la misère / Serait moins pénible au soleil’.
Ach, konden deze mannen maar 200 jaar worden, wat zouden ze ons niet allemaal kunnen vertellen, wat voor beschouwingen zouden ze ons niet kunnen voorzetten waarin wij ons zelf en ons onvermogen zouden weerspiegeld zien.

Michel Lafaille   


 

© Michel Lafaille 2017